Citaat | Hoge Raad 7 november 2014

Onder 4.2. Hoge Raad 7 november 2014

Een alinea uit Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3122.

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 4.1 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende met betrekking tot het leerlingenvervoer voor de heffing van omzetbelasting optreedt als ondernemer. Het middel betoogt dat belanghebbende in zoverre geen economische activiteiten verricht omdat de betaling door de ouders niet de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan hen verleende diensten. Het middel wijst daarbij in het bijzonder op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 oktober 2009, Commissie/Finland, C-246/08, ECLI:EU:C:2009:671, BNB 2010/94 (hierna: het arrest Commissie/Finland). Het middel bestrijdt niet het oordeel van het Hof dat, wanneer ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende met betrekking tot het leerlingenvervoer optreedt als ondernemer voor zover ouders vergoedingen betalen, belanghebbende ook recht heeft op aftrek voor zover geen bijdragen worden betaald.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08cc87f1554f3c84469228f3ce56317455766743e4ced8db964371cfc37a14c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08cc87f1554f3c84469228f3ce56317455766743e4ced8db964371cfc37a14c9, en de alinea staat in dat document op bytes 16107 tot 17036.