Citaat | Hoge Raad 11 november 2014

Onder 2.3. Hoge Raad 11 november 2014

Een alinea uit Hoge Raad 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3151.

Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan, terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ced4e252d39e06650b37ff7c3607330668c8c4bde2a9260538ce9a3483be4a3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ced4e252d39e06650b37ff7c3607330668c8c4bde2a9260538ce9a3483be4a3, en de alinea staat in dat document op bytes 13435 tot 14054.