Citaat | Hoge Raad 14 februari 2014
Onder 3.3.3 Hoge Raad 14 februari 2014
Een alinea uit Hoge Raad 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:319.
Mede in het licht van het vorenstaande geeft het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] en de bank een afwijkende wijze van verkoop als bedoeld in art. 3:251 lid 2 BW zijn overeengekomen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7–2.9, heeft het hof de daarbij in acht te nemen Haviltex-maatstaf niet miskend en heeft het zijn oordeel in het licht van de stellingen van partijen voldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt derhalve.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c58bf08b393f7c2d0674e8365200169ff405cbbd5c92cf5c23c630582feb4ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c58bf08b393f7c2d0674e8365200169ff405cbbd5c92cf5c23c630582feb4ab, en de alinea staat in dat document op bytes 16602 tot 17127.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5c58bf08b393f7c2d0674e8365200169ff405cbbd5c92cf5c23c630582feb4ab | shasum -a 256