Citaat | Hoge Raad 7 januari 2014

Onder 2.2.2. Hoge Raad 7 januari 2014

Een alinea uit Hoge Raad 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32.

Op 21 augustus 2009 omstreeks 13.00 uur bevond ik mij in mijn woning te Berlicum. Ik hoorde de bel van de voordeur. Ik opende de voordeur en zag een mij onbekende man staan. Hij vroeg of ik wist of de stoffeerder van de hoek thuis was. Hij vertelde mij dat hij een bankje ter reparatie had. Ik vertelde hem dat ik vermoedde dat de stoffeerder op vakantie was. Ik hoorde dat de man toen tegen mij zei dat hij dan pech had omdat hij nog maar een beetje benzine in zijn auto had en dat hij daarmee niet meer thuis kon komen. Hij vroeg mij of ik hem geld kon lenen zodat hij kon tanken en dan naar huis in Oss kon rijden. Hij zei mij dat hij dan over anderhalf uur het geld zou terug bezorgen. Hij zei dat hij het geld thuis zou gaan halen en het mij dan terug zou komen brengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/957ccc9b466545fa5645a2e0f55467a87141719fb00b3400cabc374bcf8f5b53. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 957ccc9b466545fa5645a2e0f55467a87141719fb00b3400cabc374bcf8f5b53, en de alinea staat in dat document op bytes 7933 tot 8721.