Citaat | Hoge Raad 18 november 2014

Onder 2.3. Hoge Raad 18 november 2014

Een alinea uit Hoge Raad 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3306.

Naar aanleiding van een melding van een mogelijke inbraak in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Rotterdam begeven verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op 4 juli 2012 ter plaatse. Aldaar treffen zij de makelaar van het pand aan, die hen te kennen geeft niet meer in het pand te kunnen omdat de cilindersloten zijn vervangen en de sleutels niet meer passen. Hij geeft onder meer aan dat het pand sinds 3 à 4 weken leeg staat, alsmede dat na zijn aankomst ter plaatse een deur op het dak van het pand is gesloten en de ramen boven in het pand zijn opengezet. De verbalisanten constateren vervolgens braakschade aan twee deuren en zien dat een roldeur circa 10 centimeter openstaat. Wanneer zij die roldeur met behulp van een breekijzer een stukje oplichten, zien zij dat er een auto in het pand staat, die daar naar zeggen van de makelaar eerder nog niet stond, en horen zij blaffende honden aan komen rennen, die volgens de makelaar niet van hem of van de eigenaar van het pand zijn. Op het kloppen op deuren en het aanroepen van personen krijgen de verbalisanten geen gehoor. Door een en ander ontstaat bij hen het vermoeden dat het pand is gekraakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cdfac6de76833aced4b9f3e0a3a9cf0f2ba2d3af96ad62047f767eee4ba66b66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cdfac6de76833aced4b9f3e0a3a9cf0f2ba2d3af96ad62047f767eee4ba66b66, en de alinea staat in dat document op bytes 8856 tot 10041.