Citaat | Hoge Raad 5 december 2014
Onder 3.8 Hoge Raad 5 december 2014
Een alinea uit Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3535.
In het licht van het voorgaande falen de onderdelen 2.1.2 en 2.3.1. Een effectieve uitoefening van het recht van een oordeelsbekwame minderjarige om in een hem of haar betreffende procedure zijn of haar zienswijze kenbaar te maken, kan meebrengen dat hij of zij geïnformeerd dient te zijn over de inhoud van de gedingstukken. Ingeval de minderjarige niet ingevolge een bijzondere wettelijke bepaling procesbekwaam is of een eigen recht is toegekend op bepaalde stukken (vgl. art. 811 lid 1, aanhef en onder d, Rv), dient hij of zij zich daarvoor te wenden tot zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger(s). Indien een minderjarige meent dat zijn of haar belang terzake door de wettelijk vertegenwoordiger(s) onvoldoende wordt behartigd, kan hij of zij aan de rechter bij wie de procedure aanhangig is, verzoeken een bijzondere curator te benoemen. Met die mogelijkheid is het in art. 6 lid 1 EVRM en art. 12 IVRK verankerde recht op toegang tot de rechter voldoende gewaarborgd, mits die mogelijkheid effectief kan worden benut. Mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.7.3 is overwogen, kan van dit laatste worden uitgegaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/677f902ef1bf053b4d5a29505e3011cc21ca57b68137340bee1055d10d07a110. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 677f902ef1bf053b4d5a29505e3011cc21ca57b68137340bee1055d10d07a110, en de alinea staat in dat document op bytes 23439 tot 24571.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/677f902ef1bf053b4d5a29505e3011cc21ca57b68137340bee1055d10d07a110 | shasum -a 256