Citaat | Hoge Raad 12 december 2014
Onder 5.6.3 Hoge Raad 12 december 2014
Een alinea uit Hoge Raad 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593.
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op de art. 6:89 of 7:23 BW kunnen dragen, rusten in beginsel op de schuldenaar (verkoper), omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd, een bevrijdend verweer is. Het ligt dan ook op zijn weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser (koper) heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie (de afgeleverde zaak) niet aan de overeenkomst beantwoordt, alsmede dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop de schuldeiser geklaagd heeft, zo lang is geweest dat in het licht van de hiervoor in 5.6.1 bedoelde maatstaven niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in de art. 6:89 of 7:23 lid 1 BW.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4772b2a10092b6a8e4998241564cf2d46b2e32b3b8d83fbd99ce31125f8dfe4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4772b2a10092b6a8e4998241564cf2d46b2e32b3b8d83fbd99ce31125f8dfe4, en de alinea staat in dat document op bytes 35887 tot 36772.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f4772b2a10092b6a8e4998241564cf2d46b2e32b3b8d83fbd99ce31125f8dfe4 | shasum -a 256