Citaat | Hoge Raad 19 december 2014

Onder 3.3 Hoge Raad 19 december 2014

Een alinea uit Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663.

Onderdeel I neemt tot uitgangspunt dat betrokkene bij aanvang van de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven geen rechtsbijstand te wensen van de advocaat die haar op de voet van art. 22 Wet Bopz was toegevoegd. Het onderdeel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank aan betrokkene heeft gevraagd of zij een andere advocaat wenste. Uit het feit dat betrokkene niet de bijstand wenste van de haar toegevoegde advocaat mocht de rechtbank niet afleiden dat betrokkene afstand deed van iedere bijstand door een advocaat, aldus de klacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bec29d716ff9a78d71c64f43793df26e4ada691ad7bbc3bd6564462536e51777. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bec29d716ff9a78d71c64f43793df26e4ada691ad7bbc3bd6564462536e51777, en de alinea staat in dat document op bytes 8803 tot 9384.