Citaat | Hoge Raad 21 februari 2014

Onder 3.3. Hoge Raad 21 februari 2014

Een alinea uit Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413.

De vrouw had, nu zij in eerste aanleg verzoekster was, ingevolge artikel 358 lid 2 Rv hoger beroep moeten instellen binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de beschikking van 4 april 2012. De vrouw is pas bij appelschrift van 24 augustus 2012 en dus na ommekomst van de wettelijke termijn in hoger beroep gekomen. In het belang van een goede rechtspleging dient duidelijkheid te bestaan omtrent het tijdstip waarop de beroepstermijn aanvangt en eindigt. Derhalve dient aan een beroepstermijn in beginsel strikt de hand te worden gehouden. Dit geval kenmerkt zich echter door de volgende omstandigheden. Uit de beschikking van 1 augustus 2012 blijkt dat de vrouw op 19 juni 2012 – dus binnen de beroepstermijn – heeft verzocht tussentijds hoger beroep toe te staan van de beschikking van 4 april 2012 teneinde een langdurige verdeling naar Nederlands recht te voorkomen. De man heeft zich niet verzet tegen dat verzoek. De vrouw heeft na de inwilliging van haar verzoek hoger beroep ingesteld waarbij zij primair heeft aangevoerd dat niet Nederlands maar Israëlisch recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De man heeft inhoudelijk verweer gevoerd en geen beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Partijen hebben vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep eenstemmig aan het hof verzocht de zaak ten gronde af te doen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/68e6269f2dafba4325d2f5b881d7ea217947522bf503c248a264e266dacb5a84. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 68e6269f2dafba4325d2f5b881d7ea217947522bf503c248a264e266dacb5a84, en de alinea staat in dat document op bytes 11335 tot 12775.