Citaat | Hoge Raad 4 maart 2014

Onder 3.2.2. Hoge Raad 4 maart 2014

Een alinea uit Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476.

Ik doe aangifte van bedreiging en diefstal van geld. Op 6 november 2008 aan [a-straat 1] te [plaats], voelde ik mij tengevolge van fysieke en/of verbale handelingen van de verdachten bedreigd. Ik verklaar u het volgende. Ongeveer drie à vier maanden geleden belde ene [betrokkene 1] mij op. Hij gaf aan dat hij bij mij aankwam. Hij wilde met mij praten. Ik ken geen achternaam van [betrokkene 1]. Hij woont samen met zijn broer [betrokkene 2] in [plaats]. Het mobiele telefoonnummer van [betrokkene 1] is 06-[...] en 06-[...]. [betrokkene 1] is bij mij geweest. Ik hoorde van [betrokkene 1] dat hij van mijn ex-vrouw opdracht had gehad om € 15.000,= te incasseren. Ik zei toen tegen [betrokkene 1] dat ik geen geld verschuldigd was. Na ongeveer een week kwam [betrokkene 1] weer bij mij. Hij wilde dat ik mee ging naar Rotterdam. Wij zouden dan een bezoek brengen aan [betrokkene 6]. Ik moest er bij zijn als [betrokkene 6] zou zeggen dat er aan mij € 15.000,= zou zijn betaald. Na ongeveer een week had [betrokkene 1] contact gehad met mijn ex-vrouw. Zij hadden gepraat. Daaruit bleek dat mijn ex had gezegd dat ik wel degelijk € 15.000,= had gebeurd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/183c1e767593f62d36ec844ca63c4118db48e2f3152f88f5f28f3437aa112d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 183c1e767593f62d36ec844ca63c4118db48e2f3152f88f5f28f3437aa112d63, en de alinea staat in dat document op bytes 11452 tot 12624.