Citaat | Hoge Raad 18 maart 2014

Onder 4.5. Hoge Raad 18 maart 2014

Een alinea uit Hoge Raad 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:652.

Bij het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van art. 36e, eerste en tweede lid, Sr, kan de rechter ingevolge het zevende lid van dat artikel, indien het gaat om strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd en die personen voor die feiten zijn veroordeeld, bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Art. 36e, zevende lid, Sr houdt in zoverre een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In zo een geval dient door de rechter op grond van art. 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/151c2b05d49f5d6e581d16db6f0ab8d8c6cfdfae263ed1e3834e1985aa327565. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 151c2b05d49f5d6e581d16db6f0ab8d8c6cfdfae263ed1e3834e1985aa327565, en de alinea staat in dat document op bytes 25681 tot 26545.