Citaat | Hoge Raad 28 maart 2014
Onder 3.11 Hoge Raad 28 maart 2014
Een alinea uit Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736.
Nu de rechtbank in het midden heeft gelaten of sprake is geweest van een schending van art. 6 EVRM, dient bij de beoordeling van dit onderdeel veronderstellenderwijs van een zodanige schending te worden uitgegaan. Daarvan uitgaande klaagt het onderdeel terecht erover dat de rechtbank op [eiser] c.s. een stelplicht ter zake van hun immateriële schade heeft gelegd. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6 EVRM is immers uitgangspunt dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, hetgeen een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade (zie onder meer EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, ECLI:NL:XX:2006:AX7382 (Riccardi Pizzati tegen Italië)). Dit is ook voor het nationale recht de maatstaf (vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360), en betekent dat geen stelplicht ter zake van zodanige schade rust op de partij die zich op schending van art. 6 EVRM beroept.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a88c13adb82bd728e3b899067358dcfadd321a99c5b4e1a6b9f315abfe53eb8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a88c13adb82bd728e3b899067358dcfadd321a99c5b4e1a6b9f315abfe53eb8, en de alinea staat in dat document op bytes 24369 tot 25354.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0a88c13adb82bd728e3b899067358dcfadd321a99c5b4e1a6b9f315abfe53eb8 | shasum -a 256