Citaat | Hoge Raad 28 maart 2014
Onder 4.1.2 Hoge Raad 28 maart 2014
Een alinea uit Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768.
Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat een partij op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. voor het geval van voeging: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, rov. 3.6.2). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/20396b0214b7fcb1195927534bfce065347c86fee7857c569982a35784564db3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 20396b0214b7fcb1195927534bfce065347c86fee7857c569982a35784564db3, en de alinea staat in dat document op bytes 14394 tot 15289.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/20396b0214b7fcb1195927534bfce065347c86fee7857c569982a35784564db3 | shasum -a 256