Citaat | Hoge Raad 10 januari 2014

Onder 3.3.1. Hoge Raad 10 januari 2014

Een alinea uit Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:8.

Het eerste middel betoogt dat het Hof is uitgegaan van een te ruime uitleg van het begrip “kenbaar” in artikel 16, lid 2, letter c, AWR. Deze bepaling is van toepassing - voor zover hier van belang - in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat ten gevolge van een fout een aanslag te laag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige “redelijkerwijs kenbaar” is. Volgens de toelichting op die bepaling “is de kenbaarheid in zekere mate geobjectiveerd door het gebruik van het woord “redelijkerwijs”. (…) Bij de toepassing van het kenbaarheidsvereiste gaat het er niet om of de onjuistheid voor een concrete belastingplichtige kenbaar is, maar of een belastingplichtige met een gemiddelde kennis van, en een gemiddeld inzicht in het fiscale recht, de onjuistheid onderkent.” (Kamerstukken II, 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 25).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3dfdbdb78c9875f9db5d00fb6732d2584c19da8a69061d8c09323f4eab2961b7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3dfdbdb78c9875f9db5d00fb6732d2584c19da8a69061d8c09323f4eab2961b7, en de alinea staat in dat document op bytes 9812 tot 10689.