Citaat | Hoge Raad 8 april 2014

Onder 2.3.2. Hoge Raad 8 april 2014

Een alinea uit Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:859.

De in de bewezenverklaring onder 1 voorkomende uitdrukking "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in art. 321 Sr - in de vervoeging "wederrechtelijk zich toe-eigent" - voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van een zodanig beschikken kan afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. (Vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX3620.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6a91b3bb9f967f364a2f752d5b1c1ab0dc902bd3702168456054fa08fd60d0e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6a91b3bb9f967f364a2f752d5b1c1ab0dc902bd3702168456054fa08fd60d0e4, en de alinea staat in dat document op bytes 11902 tot 12881.