Citaat | Hoge Raad 8 april 2014

Onder 3.6. Hoge Raad 8 april 2014

Een alinea uit Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:861.

Voor zover het middel opkomt tegen het kennelijk oordeel van het Hof dat de e-mail van de aangeefsters naar redelijke uitleg kan worden aangemerkt als een in art. 421, derde lid, Sv bedoelde verwijzing naar de eerste vordering, faalt het eveneens. Deze, aan het Hof voorbehouden, uitleg van dit schriftelijk stuk is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de betekenis van de e-mail ter terechtzitting aan de orde is gesteld en de verdediging te dien aanzien geen redenen heeft aangevoerd waarom het e-mail bericht in dit geval niet zou dienen te worden aangemerkt als een schriftelijk stuk ter voeging van de vordering in hoger beroep.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f29b4e83eb17fc73f42ee56c9974ff6bb038d00f9498354281cdf4843cec4ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f29b4e83eb17fc73f42ee56c9974ff6bb038d00f9498354281cdf4843cec4ed, en de alinea staat in dat document op bytes 13136 tot 13797.