Citaat | Hoge Raad 22 april 2014

Onder 2.2.1. Hoge Raad 22 april 2014

Een alinea uit Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953.

A: Toen ik aan de kabel trok, wilde [slachtoffer] zich los trekken. Hij duwde tegen de binnenkant van mijn onderarmen. Maar omdat ik de USB-kabel om mijn handen had gedraaid, trok de kabel alleen maar strakker om zijn nek. Ik had de kabel om mijn beide handen heen gedraaid net nadat ik de kabel over zijn hoofd had gedaan. De kabel zat om mijn beide handen gedraaid voordat [slachtoffer] zich ging verweren, dus [voor]dat hij tegen mijn onderarmen aan het duwen was. [slachtoffer] zat op dat moment nog voorover. [slachtoffer] had zijn armen gebogen onder een hoek van ongeveer 90 graden. Zo zat hij te duwen met zijn armen. Op een gegeven moment viel hij op zijn knieën. Ik geloof dat ik hem toen een schop heb gegeven en dat hij gedraaid is. Hij is toen met zijn gezicht op de bank gekomen. Met zijn buik zat hij tegen de bank aan en zijn knieën waren op de vloer. Ik weet nog dat ik hierna de kabel bleef aantrekken en dat ik mijn rechterknie in zijn rug gezet heb. Mijn knie zette ik tussen zijn schouderbladen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43fc0ac65864088077a7286fca98450401a4158d003db2aed6fdae23fd77619c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43fc0ac65864088077a7286fca98450401a4158d003db2aed6fdae23fd77619c, en de alinea staat in dat document op bytes 22936 tot 23967.