Citaat | Hoge Raad 22 april 2014

Onder 2.3. Hoge Raad 22 april 2014

Een alinea uit Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953.

"In haar bekennende verklaring heeft de verdachte zich er op beroepen - zo begrijpt het hof – dat zij zich heeft verdedigd tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer, althans dat zij door zulk een aanranding in een zo hevige gemoedsbeweging is geraakt, dat zij hem heeft gedood. Het hof acht dit onaannemelijk. Het slachtoffer was een invalide en door zijn verslaving ernstig verzwakte man. Ook wanneer hij zich werkelijk aan de verdachte zou hebben proberen te vergrijpen - waarvoor behalve de verklaring van de verdachte zelf, geen enkel bewijs voorhanden is; sterker nog, waarvoor aan omtrent de persoon van het slachtoffer afgelegde getuigenverklaringen slechts tegenaanwijzingen zijn te ontlenen - zou diens verwurging een in zo verregaande mate excessieve reactie zijn, dat het hof aan verdachtes verklaring op dit punt geen geloof hecht. Aldus zijn de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden zodat het hof dat verwerpt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43fc0ac65864088077a7286fca98450401a4158d003db2aed6fdae23fd77619c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43fc0ac65864088077a7286fca98450401a4158d003db2aed6fdae23fd77619c, en de alinea staat in dat document op bytes 39006 tot 40039.