Citaat | Hoge Raad 21 april 2015

Onder 2.2.2. Hoge Raad 21 april 2015

Een alinea uit Hoge Raad 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1099.

Op 13 april 2012 bevonden wij ons, in uniform gekleed en met assistentiedienst belast, te Amsterdam. Wij kregen de melding naar de [a-straat] 28 te gaan, alwaar een bewoonster een persoon had aangetroffen die op de vierde etage in het portiek lag te slapen. Ter plaatse aangekomen zagen wij op de vierde etage een matras met een deken liggen. Onder deze deken zagen wij een man liggen. Wij hebben de man aangesproken en kenbaar gemaakt dat wij van de politie zijn. Ik, [verbalisant 2], heb het legitimatiebewijs van de man gevorderd. Wij hoorden de man verklaren dat hij deze niet bij zich had.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ce02a49e2d23360b9b88f339198eccf17d69ca29fc05c9a153995c4adb961ced. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ce02a49e2d23360b9b88f339198eccf17d69ca29fc05c9a153995c4adb961ced, en de alinea staat in dat document op bytes 9260 tot 9867.