Citaat | Hoge Raad 24 april 2015
Onder 5.1 Hoge Raad 24 april 2015
Een alinea uit Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1135.
Middel 1 van het beroep van [verweerster] is gericht tegen rov. 3.4 van het hof. Het betoogt dat uit art. 52a lid 4 AWR voortvloeit dat niet de Staat, maar alleen de inspecteur bevoegd is om het onderhavige geding aanhangig te maken. Het middel faalt. De bevoegdheid om in een burgerlijk geding als partij op te treden komt in beginsel (alleen) toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen (zie HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696, NJ 1984/297 en HR 3 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1163, NJ 1994/375). Op deze grond is de Staat bevoegd om in dit geding als partij op te treden. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 52a lid 4 AWR blijkt niet dat de wetgever heeft beoogd om in die bepaling – in afwijking van de zojuist vermelde regel – een exclusieve procesbevoegdheid van de inspecteur te scheppen (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.9).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/35dcd63c667e609ed657f48139de29847b5dded6deb96be8f90ae3cb88ecef04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 35dcd63c667e609ed657f48139de29847b5dded6deb96be8f90ae3cb88ecef04, en de alinea staat in dat document op bytes 29888 tot 30784.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/35dcd63c667e609ed657f48139de29847b5dded6deb96be8f90ae3cb88ecef04 | shasum -a 256