Citaat | Hoge Raad 27 januari 2015

Onder 2.4.2. Hoge Raad 27 januari 2015

Een alinea uit Hoge Raad 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:130.

De medewerker van de griffie heeft zich kennelijk op het standpunt gesteld dat door ondertekening van deze brief "p/o C. Maat" met een onleesbare handtekening niet de vereiste zekerheid bestaat dat de bijzondere schriftelijke volmacht afkomstig is van de advocaat mr. C. Maat, en heeft aan de advocaat de gelegenheid gegeven aan die onzekerheid een eind te maken, hetgeen bij de hiervoor in 2.3 onder (iv) bedoelde (fax)brief is gebeurd. De medewerker van de griffie heeft de brief van 5 februari 2013 terecht bij de stukken van het geding gevoegd die hij aan het Hof heeft doen toekomen, nu het niet de medewerker van de griffie maar de rechter is die beslist of het rechtsmiddel tijdig en op de juiste wijze is ingesteld (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009: BJ7810, rov. 3.8).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee3d4e61d8168b6f9821c97c6ca766994752eec03c449530028b10fc5d294a1a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee3d4e61d8168b6f9821c97c6ca766994752eec03c449530028b10fc5d294a1a, en de alinea staat in dat document op bytes 13355 tot 14154.