Citaat | Hoge Raad 30 januari 2015
Onder 3.2.2 Hoge Raad 30 januari 2015
Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 28 augustus 2013 in het incident de gevorderde tussenkomst afgewezen. Zakelijk weergegeven oordeelde zij dat de op de voet van art. 20 lid 1 Ow als derde benoemde mr. Fraats alleen door de gezamenlijke erfgenamen had kunnen worden vervangen als procespartij. Omdat [betrokkene 1] niet alleen zijn weduwe en zijn zoon [A] als erfgenamen naliet, maar ook nog twee dochters, is de vordering tot tussenkomst niet door de gezamenlijke erfgenamen gedaan. Voor zover [B] en [A] hun vordering mede baseren op art. 3 Ow, slaagt deze evenmin. [B] zou dan immers dubbel in de procedure aanwezig zijn: in persoon, en vertegenwoordigd door mr. Fraats. Ten aanzien van [A] geldt dat zijn hoedanigheid van pachter is betwist in de zin van art. 3 lid 3 Ow. De rechtbank wees daarom in het incident de vordering af. Tegen dit incidentele vonnis is het eerste cassatieberoep gericht, in de zaak met rolnummer 13/05265.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4aee5fe64088603336df1e9c0ca6d84010a8cef1ac979c4cfd8db034593b5815. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4aee5fe64088603336df1e9c0ca6d84010a8cef1ac979c4cfd8db034593b5815, en de alinea staat in dat document op bytes 11107 tot 12059.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4aee5fe64088603336df1e9c0ca6d84010a8cef1ac979c4cfd8db034593b5815 | shasum -a 256