Citaat | Hoge Raad 30 januari 2015
Onder 4.1 Hoge Raad 30 januari 2015
Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183.
Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1703, NJ 1993/548 (Ogenia) wordt door een uitdrukkelijk dictum waarin is geoordeeld dat een vordering tot tussenkomst op de voet van art. 3 Ow wordt afgewezen, definitief beslist dat de partij die tussenkomst verlangt, geen rechthebbende, mede-rechthebbende of derde-belanghebbende is als bedoeld in deze bepaling. Dat vonnis is derhalve in zoverre een eindvonnis, zodat daartegen cassatieberoep openstaat. Dit geldt zowel voor [B] als voor [A] .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4aee5fe64088603336df1e9c0ca6d84010a8cef1ac979c4cfd8db034593b5815. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4aee5fe64088603336df1e9c0ca6d84010a8cef1ac979c4cfd8db034593b5815, en de alinea staat in dat document op bytes 13713 tot 14259.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4aee5fe64088603336df1e9c0ca6d84010a8cef1ac979c4cfd8db034593b5815 | shasum -a 256