Citaat | Hoge Raad 7 juli 2015
Onder 3.5.2. Hoge Raad 7 juli 2015
Een alinea uit Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1833.
Daargelaten dat op niet-naleving van art. 321 en art. 318, zevende lid, SvM geen nietigheid is gesteld, vloeit die nietigheid in gevallen als de onderhavige ook niet voort uit de aard van de niet-inachtgenomen vormen. In dat verband wijst de Hoge Raad erop dat in sedert HR 28 maart 1944, NJ 1944/402 bestendige jurisprudentie is aangenomen dat het voorschrift van art. 282 (oud) Sv inzake de oproeping van een op de getuigenlijst voorkomende doch niet verschenen getuige, niet geldt in gevallen dat een hernieuwde oproeping reeds van te voren nutteloos of overbodig moet worden geacht. Er bestaat geen grond ten aanzien van de vergelijkbare bepaling van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten anders te oordelen. Ook de wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten voor zo een andersluidende wetsuitleg.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd36323e96e21921f8d7af2ec1f5fa0606797b84bf5db9fe6f5ffaac46f59d27. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd36323e96e21921f8d7af2ec1f5fa0606797b84bf5db9fe6f5ffaac46f59d27, en de alinea staat in dat document op bytes 17660 tot 18500.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bd36323e96e21921f8d7af2ec1f5fa0606797b84bf5db9fe6f5ffaac46f59d27 | shasum -a 256