Citaat | Hoge Raad 30 januari 2015
Onder 3.3.2 Hoge Raad 30 januari 2015
Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188.
Art. 8 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de rechter degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378) gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld (vgl. HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8efc38f0d478a4bf2dcc4d90d5ce464a68784411660d701d545eabd1155c3ba6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8efc38f0d478a4bf2dcc4d90d5ce464a68784411660d701d545eabd1155c3ba6, en de alinea staat in dat document op bytes 10236 tot 11263.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8efc38f0d478a4bf2dcc4d90d5ce464a68784411660d701d545eabd1155c3ba6 | shasum -a 256