Citaat | Hoge Raad 6 februari 2015
Onder 4.5.2 Hoge Raad 6 februari 2015
Een alinea uit Hoge Raad 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:228.
In de rov. 4.4.2-4.4.4 heeft het hof geoordeeld dat het de curator, na het verstrijken van de termijn van art. 58 lid 1 Fw, in de omstandigheden van dit geval niet vrijstond om zonder meer gebruik te maken van zijn uit art. 58 lid 1 Fw voortvloeiende bevoegdheid om de zaken op te eisen teneinde deze zelf te gelde te maken (rov. 4.4.2, eerste alinea), en dat – gegeven de onevenredigheid tussen het belang van de curator bij zijn handelwijze en het belang van Rabobank dat hierdoor is geschaad – de curator naar redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid tot opeising had kunnen komen jegens Rabobank (rov. 4.4.4, laatste volzin). Met een en ander heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat in de omstandigheden van dit geval de curator bij de uitoefening van de voor hem uit art. 58 lid 1 Fw voortvloeiende bevoegdheid om de zaken op te eisen, misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW kan worden verweten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38e7ecfc03c6b17d95c743dad76048a9b859b3d70c907ba3efa3e48c340a87b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38e7ecfc03c6b17d95c743dad76048a9b859b3d70c907ba3efa3e48c340a87b5, en de alinea staat in dat document op bytes 38041 tot 39002.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/38e7ecfc03c6b17d95c743dad76048a9b859b3d70c907ba3efa3e48c340a87b5 | shasum -a 256