Citaat | Hoge Raad 8 september 2015

Onder 2.3. Hoge Raad 8 september 2015

Een alinea uit Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467.

Tenslotte is het hof ook van oordeel dat verdachte ten tijde van zijn (betaalde) werkzaamheden voor [betrokkene 1] op z'n minst redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [betrokkene 1] werd uitgebuit. Verdachte had zich er van moeten vergewissen dat geen sprake was van een uitbuitingssituatie. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat verdachte wist over de misstanden in de prostitutiewereld op de Amsterdams Wallen, dat verdachte op enig moment wist dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] zich schuldig maakten aan vrouwenhandel en dat hij ten aanzien van [betrokkene 1] in het bijzonder concrete aanwijzingen had van dwang: verdachte werkte onder gezag van [betrokkene 2] en niet louter voor en in opdracht van [betrokkene 1] , verdachte kreeg in het kader van zijn werkzaamheden opdracht [betrokkene 1] te controleren en overlegde met anderen dan [betrokkene 1] over zijn bodyguardwerkzaamheden. Ook deze feiten en omstandigheden volgen uit de bewijsoverwegingen en bewijsconstructie van de rechtbank die het hof voor zover die in bijlage 1 zijn opgenomen tot de zijne maakt en voorts uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 14] op 27 januari 2010 bij de rechtercommissaris in de Rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, voor zover inhoudende op pagina 9 van het proces-verbaal als verklaring van [betrokkene 14] - zakelijk weergegeven - als volgt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ade0be9175726ffbdad6bbf5929e431da64d3a873add16034df015eb1128cec7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ade0be9175726ffbdad6bbf5929e431da64d3a873add16034df015eb1128cec7, en de alinea staat in dat document op bytes 30018 tot 31399.