Citaat | Hoge Raad 18 september 2015

Onder 3.6.2 Hoge Raad 18 september 2015

Een alinea uit Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2723.

Ook dit onderdeel faalt. Indien art. 7 van (thans) Richtlijn 2003/88 tijdig was geïmplementeerd, dan zou [verweerster], overeenkomstig die bepaling, de mogelijkheid hebben gehad om de thans door haar misgelopen vakantiedagen op enig tijdstip op te nemen dan wel aanspraak hebben kunnen maken op vergoeding daarvan, welke mogelijkheid en aanspraak haar als gevolg van het in art. 7:635 lid 4 (oud) BW bepaalde hebben ontbroken. Bij de vaststelling van de schade die [verweerster] heeft geleden, mag uitgangspunt zijn dat bij een tijdige implementatie zij van deze voor haar gunstige mogelijkheid of aanspraak gebruik zou hebben gemaakt. Het lag daarom in beginsel op de weg van de Staat om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit het tegendeel kan volgen. De verwerping door het hof van het verweer van de Staat, dat onder meer ervan uitgaat dat de stelplicht en bewijslast terzake bij [verweerster] berusten, op de gronden die het hof daartoe heeft gebezigd - onder meer inhoudende dat [verweerster] haar gedrag zou hebben afgestemd op de regels die gegolden zouden hebben bij een tijdige implementatie -, geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbeeb3404ba9f2d2697ae69e990b189437ca2a301163f856720e5ad5db0f6a97. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbeeb3404ba9f2d2697ae69e990b189437ca2a301163f856720e5ad5db0f6a97, en de alinea staat in dat document op bytes 33225 tot 34444.