Citaat | Hoge Raad 29 september 2015

Onder 2.2.2. Hoge Raad 29 september 2015

Een alinea uit Hoge Raad 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2862.

Gisteren op 9 februari 2012, omstreeks 19:30 uur was ik in Almere Stad. Ik kreeg een telefoontje van mijn moeder. Ze vertelde me dat er een man voor mijn huis stond die stoer deed tegen mijn broertje. Ik ben toen samen met [betrokkene 2] (het hof begrijpt telkens: aangever [betrokkene 2] ) naar mijn huis gegaan aan de [a-straat] 27 te Almere. Toen ik binnen kwam via de achterdeur zag ik [verdachte] in mijn woning zitten bij mijn broertje. Ik werd heel boos en trok hem aan zijn jas. Ik riep tegen [verdachte] dat hij mijn woning uit moest gaan. Ik heb [verdachte] het huis uitgezet. Ik hoorde van mijn broertje dat hij geïntimideerd was door [verdachte] . [verdachte] heeft gezegd dat hij mij dood zou maken als hij me tegen kwam. Hierop had mijn broertje 50 euro aan [verdachte] betaald. Ik zag dat [verdachte] samen met zijn broer wegreed in een witte oude familiewagen. De broer van [verdachte] bestuurde de auto.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34950dd2314b7aad7d003b1cf6c18f14e1c0e308ebc095592531c094fb105525. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34950dd2314b7aad7d003b1cf6c18f14e1c0e308ebc095592531c094fb105525, en de alinea staat in dat document op bytes 11823 tot 12757.