Citaat | Hoge Raad 27 oktober 2015

Onder 2.2.2. Hoge Raad 27 oktober 2015

Een alinea uit Hoge Raad 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167.

Op 7 juni 2013 hoorden wij dat een man verklaard had dat hij zijn ex-vrouw had vermoord en dat deze vrouw op de [a-straat 1] te [plaats] zou zijn. Om 14:40 die dag hebben wij die woning betreden. Ik, verbalisant [verbalisant], zag onder de sprei voor het bed op de grond in de slaapkamer een grote, lichaamsgelijkende vorm liggen. Vervolgens heb ik de sprei weggetrokken. Wij, verbalisanten, zagen een vrouw vooroverliggend op de grond liggen. Wij zagen dat ze kleding aanhad. Wij zagen dat haar handen op haar rug met een wit touw waren vastgebonden. Op haar vingers zagen wij een op bloed gelijkende substantie. Ook zag ik, verbalisant [verbalisant], al lijkvlekken op haar handen. Ik voelde dat haar voet koud was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c09cfe6458b026d73a6bf27d47cb8a0cb2301f9e4d53ef650725d0357aef9c3f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c09cfe6458b026d73a6bf27d47cb8a0cb2301f9e4d53ef650725d0357aef9c3f, en de alinea staat in dat document op bytes 10986 tot 11716.