Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2015
Onder 3.3.2 Hoge Raad 30 oktober 2015
Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3196.
In de zojuist genoemde beschikking heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld. Met de strekking van art. 1:204 lid 3 BW is onverenigbaar dat in een geval waarin een verzoek om vervangende toestemming aan de rechter is voorgelegd, de moeder de beoordeling daarvan en daarmee de erkenning door de verwekker die reeds om vervangende toestemming heeft gevraagd, zou kunnen blokkeren door aan een ander die het kind wil erkennen, daartoe toestemming te verlenen vóórdat definitief op het desbetreffende verzoek van de verwekker is beslist. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat vanaf het moment waarop een verzoek tot het verlenen van deze vervangende toestemming bij de rechtbank is ingediend en totdat daarop definitief is beslist, de moeder aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kan verlenen. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4301040a447197acaa7621ecfb88d057480b9f3c53ecfa4215b68f17427a98b3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4301040a447197acaa7621ecfb88d057480b9f3c53ecfa4215b68f17427a98b3, en de alinea staat in dat document op bytes 11716 tot 12739.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4301040a447197acaa7621ecfb88d057480b9f3c53ecfa4215b68f17427a98b3 | shasum -a 256