Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2015
Onder 3.3.4 Hoge Raad 30 oktober 2015
Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3196.
In het onderhavige geval heeft de man door middel van een brief van zijn advocaat van 4 december 2012 aan de moeder verzocht hem toestemming te verlenen om de dochter te erkennen (zie hiervoor in 3.1 onder ((ii)). Het inleidend verzoekschrift is op 18 februari 2013 bij de rechtbank ingediend (zie hiervoor in 3.2.1), derhalve binnen de zojuist vermelde termijn van drie maanden. Dat brengt mee dat het onderdeel terecht betoogt dat de toestemming van de moeder aan haar nieuwe partner om de dochter te erkennen nog slechts een voorwaardelijk karakter had. Het hof had daarom moeten beoordelen of aan de man op grond van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming tot erkenning kon worden verleend. Onderdeel 1a is derhalve gegrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4301040a447197acaa7621ecfb88d057480b9f3c53ecfa4215b68f17427a98b3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4301040a447197acaa7621ecfb88d057480b9f3c53ecfa4215b68f17427a98b3, en de alinea staat in dat document op bytes 15034 tot 15780.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4301040a447197acaa7621ecfb88d057480b9f3c53ecfa4215b68f17427a98b3 | shasum -a 256