Citaat | Hoge Raad 13 november 2015

Onder 4.1.5 Hoge Raad 13 november 2015

Een alinea uit Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304.

De vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art.1019a Rv als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Daarbij komt het immers aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Wel is uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08564f85a87f6888355e82d059ba3f15a8d046004f381f247e9a94328ba8cdb1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08564f85a87f6888355e82d059ba3f15a8d046004f381f247e9a94328ba8cdb1, en de alinea staat in dat document op bytes 23154 tot 23710.