Citaat | Hoge Raad 1 december 2015
Onder 2.2.3. Hoge Raad 1 december 2015
Een alinea uit Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3426.
Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die vóór of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c0c4dcf77ca720801a38da8329ea2eff97f639679c792d90def1e0a7f4f1681. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c0c4dcf77ca720801a38da8329ea2eff97f639679c792d90def1e0a7f4f1681, en de alinea staat in dat document op bytes 18499 tot 19869.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1c0c4dcf77ca720801a38da8329ea2eff97f639679c792d90def1e0a7f4f1681 | shasum -a 256