Citaat | Hoge Raad 18 december 2015
Onder 3.5 Hoge Raad 18 december 2015
Een alinea uit Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3633.
Het voorschrift van art. 39 lid 1 Rv strekt ertoe dat een beslissing op het wrakingsverzoek wordt verkregen die voor alle betrokkenen uit procedureel oogpunt geen twijfels oproept (vgl. ten aanzien van het gelijkluidende art. 8:18 lid 1 Awb: Kamerstukken II, 1991-1992, 22 495, nr. 3, p. 114). Dat voorschrift dient mede te worden uitgelegd tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM, op grond waarvan de behandeling van een wrakingsverzoek “that does not immediately appear to be manifestly devoid of merit” niet achterwege mag worden gelaten, aangezien anders i) onvoldoende is gewaarborgd dat een partij haar aanspraak op een onpartijdige behandeling van de zaak kan verwezenlijken, en ii) het vertrouwen dat de rechtzoekende in de gerechten moet kunnen stellen, in het geding zou kunnen komen (vgl. EHRM 23 april 1996, 16839/90 (Remli/Frankrijk), rov. 48; EHRM 15 oktober 2009, 17056/06, ECLI:NL:XX:2008:5510 (Micallef/Malta), rov. 99).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e35871c1bd414528672b9022c95ada0d943f754bfdc4cd11f4900c3c0c7a8ce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e35871c1bd414528672b9022c95ada0d943f754bfdc4cd11f4900c3c0c7a8ce, en de alinea staat in dat document op bytes 12050 tot 13007.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2e35871c1bd414528672b9022c95ada0d943f754bfdc4cd11f4900c3c0c7a8ce | shasum -a 256