Citaat | Hoge Raad 14 april 2015
Onder 2.2.3. Hoge Raad 14 april 2015
Een alinea uit Hoge Raad 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:929.
De omstandigheid dat verdachte kort na het begin van de gijzeling is geïnformeerd over dit feit en dat een van de medeverdachten kort na de ontvoering met verdachte in contact trad, doet vermoeden, zeker gezien verdachtes verklaringen inhoudende dat de voertuigen "voor een persoon" waren en dat het kopen en huren van de voertuigen gebeurde in verband met "een plan", dat hij van meet af heeft geweten waarvoor de voertuigen zouden worden gebruikt. Verdachte wist in ieder geval van de wederrechtelijke vrijheidsberoving toen hij de valse aangifte deed. Hierdoor heeft hij het onderzoek naar de verblijfplaats van het slachtoffer willens en wetens belemmerd. Gelet op de hoge beloning die verdachte in het vooruitzicht was gesteld moet hij ook hebben beseft dat het slachtoffer werd vastgehouden om een ander te dwingen tot betaling van een groot geldbedrag. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving zou voortduren tot de betaling van het geëiste losgeld, in elk geval dat die langer zou voortduren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f87339bd7a0ea3d2b72cf0f4f3fec01bd4d426854573b3f292afeba069cb5b81. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f87339bd7a0ea3d2b72cf0f4f3fec01bd4d426854573b3f292afeba069cb5b81, en de alinea staat in dat document op bytes 14192 tot 15291.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f87339bd7a0ea3d2b72cf0f4f3fec01bd4d426854573b3f292afeba069cb5b81 | shasum -a 256