Citaat | Hoge Raad 20 januari 2015

Onder 2.3. Hoge Raad 20 januari 2015

Een alinea uit Hoge Raad 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98.

Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is uitgereikt en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb3eda3aff04ac7a61b59c43346c64cd66b55cfa2db0c98e414110aca75c549. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb3eda3aff04ac7a61b59c43346c64cd66b55cfa2db0c98e414110aca75c549, en de alinea staat in dat document op bytes 8189 tot 8971.