Citaat | Hoge Raad 7 juni 2016
Onder 2.5.3. Hoge Raad 7 juni 2016
Een alinea uit Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005.
Het betreft hier echter een onderwerp waarbij bijzondere voorzichtigheid is geboden. Uitgangspunt van de Nederlandse strafrechtspraak is immers dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Dit brengt mee dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de in de bestreden uitspraak neergelegde bewijsvoering steunt op een weloverwogen selectieproces. Dat betekent dat toepassing van art. 80a RO in verband met de ongegrondverklaring van de klacht dat het bewijs ontoereikendheid is, slechts mogelijk is indien over de toereikendheid en de betrouwbaarheid van het bewijs in redelijkheid geen twijfel kan bestaan. In dat verband kan worden gewezen op de volgende gevallen waarin de Hoge Raad – in afwijking van de conclusie van de Advocaat–Generaal waarin tot niet–ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO werd geadviseerd – de bestreden uitspraak heeft gecasseerd naar aanleiding van een klacht over het bewijs van het feitelijke leidinggeven en een klacht over het bewijs van het (mede)plegen .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df6ee7851bb14918b0485139c58b814d6919ede9e791963702a268feb354d59a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df6ee7851bb14918b0485139c58b814d6919ede9e791963702a268feb354d59a, en de alinea staat in dat document op bytes 62409 tot 63847.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/df6ee7851bb14918b0485139c58b814d6919ede9e791963702a268feb354d59a | shasum -a 256