Citaat | Hoge Raad 31 mei 2016

Onder 2.2. Hoge Raad 31 mei 2016

Een alinea uit Hoge Raad 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1027.

De vraag die hier gesteld en beantwoord dient te worden is of de geheimhoudingsplicht van de betrokken advocaat zich uitstrekt tot de inbeslaggenomen geschriften en of deze daarmee object vormen van de bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde' bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning zijn, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven, of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tof het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (HR 29 juni 2004, NJ2005, 273).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f0448e4a89c93969fe39be86c980787b0c33fde749e5e2c88b4dde96b06036f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f0448e4a89c93969fe39be86c980787b0c33fde749e5e2c88b4dde96b06036f, en de alinea staat in dat document op bytes 8157 tot 9095.