Citaat | Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 5.2.5 Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049.

In het licht van het hiervoor overwogene valt niet in te zien dat de rechtsbescherming als geregeld in titel 7.4 WHW in het hier aan de orde zijnde geval voor aspirant-studenten zou tekortschieten. SCAU voert in dit verband nog aan dat van aspirant-studenten niet mag worden gevergd dat zij, teneinde een oordeel van de rechter te verkrijgen, eerst een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing uitlokken. Dit betoog ziet echter eraan voorbij dat de vaststelling van het door de aspirant-student verschuldigde instellingscollegegeld in het stelsel van de WHW steeds plaatsvindt bij voor bezwaar en beroep vatbare beslissing (zie hiervoor in 4.1.5, 4.2.2 (slot) en 5.2.3) en dat de hiervoor in 5.2.3 en 5.2.4 genoemde weg waarlangs de aanstaande student die beslissing kan uitlokken, erop neerkomt dat die beslissing wordt vervroegd, opdat de aanstaande student daartegen al voor de inschrijving op kan komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d33167efcbcbe58b603b708160bbf63fa3ef959e22d0d78a8124e3539fd784e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d33167efcbcbe58b603b708160bbf63fa3ef959e22d0d78a8124e3539fd784e, en de alinea staat in dat document op bytes 34106 tot 35027.