Citaat | Hoge Raad 3 juni 2016
Onder 3.5.1 Hoge Raad 3 juni 2016
Een alinea uit Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087.
Indien de gedaagde een vergoeding van zijn proceskosten van de eiser verlangt, en de eiser betwist dat de gedaagde voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt of de hoogte daarvan bestrijdt, ligt het op de weg van de gedaagde om de kosten waarvan hij vergoeding vordert, te specificeren en aannemelijk te maken. Deze vordering is - afgezien van het bepaalde in art. 1019h Rv - niet toewijsbaar buiten de in art. 241 Rv getrokken grenzen. In dit verband verdient nog opmerking dat het liquidatietarief een regeling bevat voor het geval de eiser het geding intrekt voordat de gedaagde een proceshandeling (kan) verricht(en), welke regeling zich mede leent voor toepassing in kort geding.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a382e32244327ab6607ac46e165e1ee9630ee29d52a2c54a7f19733054079a3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a382e32244327ab6607ac46e165e1ee9630ee29d52a2c54a7f19733054079a3a, en de alinea staat in dat document op bytes 20729 tot 21448.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a382e32244327ab6607ac46e165e1ee9630ee29d52a2c54a7f19733054079a3a | shasum -a 256