Citaat | Hoge Raad 3 juni 2016

Onder 3.6 Hoge Raad 3 juni 2016

Een alinea uit Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087.

In dit verband wordt opgemerkt dat, zoals het gerechtshof Den Haag in rov. 4.11 van zijn arrest van 25 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4556 heeft overwogen, art. 1019h Rv in gevallen als hier bedoeld van toepassing kan zijn hoewel de eiser die het geding heeft ingetrokken, strikt genomen niet de “in het ongelijk gestelde partij is”, omdat dit geval voor de toepassing van deze bepaling daarmee op één lijn moet worden gesteld. Doet de situatie als hiervoor in 3.5.3 bedoeld zich voor, dan kan de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Eveneens terecht heeft dat hof in rov. 4.14 van zijn arrest overwogen dat het in eerste aanleg gehanteerde indicatietarief voor de begroting van de advocaatkosten als uitgangspunt kan gelden. Voorts kan een veroordeling op de voet van art. 1019h Rv slechts plaatsvinden voor zover de voorbereidende werkzaamheden (ook voor nog niet verrichte proceshandelingen) betrekking hebben op geschilpunten die onder het bereik van deze bepaling vallen. De kosten die worden gemaakt om de kosten van het ingetrokken kort geding te doen vaststellen, vallen niet onder dat bereik en dienen dus te worden begroot met toepassing van het liquidatietarief.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a382e32244327ab6607ac46e165e1ee9630ee29d52a2c54a7f19733054079a3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a382e32244327ab6607ac46e165e1ee9630ee29d52a2c54a7f19733054079a3a, en de alinea staat in dat document op bytes 23855 tot 25080.