Citaat | Hoge Raad 26 januari 2016
Onder 3.3. Hoge Raad 26 januari 2016
Een alinea uit Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110.
De Rechtbank heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning meebrengt dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/778ccbd2253c1d1303307d9f961a734bc9fecdd873e18e4fd97df6f574c777b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 778ccbd2253c1d1303307d9f961a734bc9fecdd873e18e4fd97df6f574c777b9, en de alinea staat in dat document op bytes 46500 tot 47305.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/778ccbd2253c1d1303307d9f961a734bc9fecdd873e18e4fd97df6f574c777b9 | shasum -a 256