Citaat | Hoge Raad 26 januari 2016

Onder 2.2. Hoge Raad 26 januari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:111.

Ik heb op 3 februari 2013 in Amsterdam aangifte gedaan van ontvoering van mijn dochter [betrokkene 1] . Als aanvulling op mijn aangifte wil ik nog het volgende verklaren. Ik heb nu het adres gevonden waar [verdachte] woont. Te weten [a-straat 1] . Op 20 maart 2013 heeft de rechter de voorlopige voorziening uitgesproken ten gunste van mij. In deze voorziening staat dat [betrokkene 1] mij toebehoort. [verdachte] moet [betrokkene 1] aan mij teruggeven. Ik mis mijn dochter, ik wil haar terug.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bed15dbe39a5d1599000883709897fa80f155b3ebcb6df7f2e934d26b268c3ca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bed15dbe39a5d1599000883709897fa80f155b3ebcb6df7f2e934d26b268c3ca, en de alinea staat in dat document op bytes 9200 tot 9707.