Citaat | Hoge Raad 7 juni 2016
Onder 3.2.4 Hoge Raad 7 juni 2016
Een alinea uit Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1115.
Dit is te kwalificeren als een oneigenlijke dreiging met het inzetten van een dwangmiddel op een wijze die niet bij wet is voorzien. Het is immers de officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden die, bij het bestaan van ernstige bezwaren, in het belang van het onderzoek kan bepalen dat de verdachte aan zijn lichaam wordt onderzocht. De uitwendige schouw van het lichaam valt daaronder, zij het dat dit ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 56 Sv. op een besloten plaats en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte moet worden verricht. [verbalisant] was en is niet bevoegd om zo'n onderzoek te bepalen, laat staan dat hij dit onderzoek zou mogen uitvoeren in de ruimte waar het verhoor (en daarmee dus ook het onderzoek aan het lichaam) audiovisueel wordt vastgelegd, in aanwezigheid van een vrouwelijke verbalisant, en er ook nog eens foto's van maakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f5a0f2d1fc2f11a83994dad93846f3a07cbedd244f52de37df0c048ecefcf243. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f5a0f2d1fc2f11a83994dad93846f3a07cbedd244f52de37df0c048ecefcf243, en de alinea staat in dat document op bytes 16712 tot 17714.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f5a0f2d1fc2f11a83994dad93846f3a07cbedd244f52de37df0c048ecefcf243 | shasum -a 256