Citaat | Hoge Raad 10 juni 2016
Onder 3.3.3 Hoge Raad 10 juni 2016
Een alinea uit Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1136.
Op grond van de hoofdregel van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 150 Rv rust op de partij die zich ter vernietiging van een overeenkomst op wederzijdse dwaling beroept de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vereisten dat de overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling, dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende. Het is, mede blijkens het woord “tenzij” in de bepaling, vervolgens aan de wederpartij om bij wege van verweer tegen het dwalingsberoep te stellen en bij voldoende betwisting aannemelijk te maken dat zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden, met andere woorden, dat de relevantie van de dwaling ook bij een juiste voorstelling van zaken voor haar niet kenbaar zou zijn geweest.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9b9d8cc9920e38706dee8a0ea80dcaff0b826c27a7696c5a1f0b6faff1934de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9b9d8cc9920e38706dee8a0ea80dcaff0b826c27a7696c5a1f0b6faff1934de, en de alinea staat in dat document op bytes 14281 tot 15278.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d9b9d8cc9920e38706dee8a0ea80dcaff0b826c27a7696c5a1f0b6faff1934de | shasum -a 256