Citaat | Hoge Raad 24 juni 2016

Onder 2 Hoge Raad 24 juni 2016

Een alinea uit Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268.

2.2.3. Uit het onder 2.1.1 weergegeven oordeel volgt niet dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitnodiging naar het juiste adres is verzonden, maar slechts dat het Hof ten aanzien van de herinnering en de aanmaning aannemelijk heeft geacht dat deze op het adres van belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden. Dat is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte. ’s Hofs oordeel dat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot het doen van aangifte en de daaraan verbonden conclusie dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, geeft derhalve ofwel blijk van een miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 2.2.2 is overwogen, ofwel behoefde nadere motivering, die echter ontbreekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08d5b87bdfcb8b05f6911acee07ccecdafbfd6bf509ac84a3f0f2f1ac86f8b6c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08d5b87bdfcb8b05f6911acee07ccecdafbfd6bf509ac84a3f0f2f1ac86f8b6c, en de alinea staat in dat document op bytes 8655 tot 9449.