Citaat | Hoge Raad 24 juni 2016
Onder 3.2.2 Hoge Raad 24 juni 2016
Een alinea uit Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1271.
“3.5. Het gaat in dit kort geding hoofdzakelijk om de vraag in hoeverre [verweerder 1] dan wel [verweerder 2] hun vorderingen nu reeds kunnen innen bij [eiseres] , gelet op de clausule in het testament van de vader van [verweerders] dat deze vorderingen bij leven van [eiseres] niet opeisbaar zijn. (…) Het hof zal eerst de vraag bespreken in hoeverre bij een afweging van de wederzijdse belangen de eventuele niet-opeisbaarheid van de vorderingen tot opheffing van het beslag zou dienen te leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fab2581a7909406b439b0247da708bf051e0c93f1197cb4fce4b3349a3a76691. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fab2581a7909406b439b0247da708bf051e0c93f1197cb4fce4b3349a3a76691, en de alinea staat in dat document op bytes 12561 tot 13090.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fab2581a7909406b439b0247da708bf051e0c93f1197cb4fce4b3349a3a76691 | shasum -a 256