Citaat | Hoge Raad 24 juni 2016

Onder 3.8 Hoge Raad 24 juni 2016

Een alinea uit Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1309.

Het hof heeft geoordeeld dat Vitesse c.s. onvoldoende feiten of omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan aannemelijk is dát zij enigerlei schade hebben geleden. Daarvan uitgaande heeft het hof geoordeeld dat het niet kon toekomen aan begroting van die schade op de voet van art. 6:104 BW. Aan dit oordeel ligt de juiste rechtsopvatting ten grondslag dat de ‘winstafdracht’ van art. 6:104 BW een vorm van begroting van schade is (zie Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1270) en dat voor toekenning van een vergoeding op deze grondslag geen plaats is indien ten gevolge van de – in dit geval – onrechtmatige daad geen schade is geleden (HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9662, NJ 2015/33). Voor het overige is het oordeel van het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen falen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e4275bd64e84ed1bc374fbbcf47828ebac1c35b5e1c40a122046603624f1a46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e4275bd64e84ed1bc374fbbcf47828ebac1c35b5e1c40a122046603624f1a46, en de alinea staat in dat document op bytes 19859 tot 20707.