Citaat | Hoge Raad 5 juli 2016

Onder 2.2.1. Hoge Raad 5 juli 2016

Een alinea uit Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1319.

Ik heb vanmorgen een inbraak gemeld, dat was in de [a-straat] . Vanmorgen, 8 oktober 2012, te 06.36 uur, dat is het tijdstip dat ik de politie heb gebeld, zag ik een manspersoon een woning in de [a-straat] binnengaan. Ik zag dat een jongen door een geopend raam sprong, een raam van de benedenwoning aan de straatzijde. Ik vond dat vreemd waardoor ik gelijk de politie heb gebeld. Ik zag dat er drie jongens de woning uitkwamen, ook weer door dat open raam. Later toen zij al weg waren zag ik dat het houtwerk van het raam kapot was. Alle drie de jongens waren gekleed in donkere kleding. Een van de jongens had een Adidas trainingspak aan. Het waren alle drie jonge jongens en ik kan verder niets zeggen over hun kleding behalve dat het donkere kleding was. Ik kon wel zien dat de jongens vermoedelijk van Marokkaanse afkomst waren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2fe5af6b382153a356fc3e286dc4da4e26bc857edbabd687c4899d21b43b8b38. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2fe5af6b382153a356fc3e286dc4da4e26bc857edbabd687c4899d21b43b8b38, en de alinea staat in dat document op bytes 13322 tot 14168.